Wim van Zoggel

Het geheugen van De Gruyter

 
In 1985 keerde de SHV het failliete De Gruyter de rug toe. Na 25 jaar trouwe dienst bleef Wim van Zoggel achter. Met zeven emmers sleutels. Alles was vergrendeld: deuren, lades en brandkasten. Behalve de mond van Wim. Anno 2009 lepelt hij moeiteloos de ene na de andere anekdote op. “Als ze in het kanaal achter de fabriek gaan dreggen, halen ze er een wagonlading lege bierflessen uit. Want prettig werken was het.” Een ontmoeting met het geheugen van De Gruyter Fabriek.
Wim van Zoggel, voormalig medewerker Technische Dienst De Gruyter
Een dag in 1960. In de krant ziet Wim van Zoggel een advertentie van De Gruyter: medewerker Technische Dienst gezocht. Hij wordt op slag aangenomen. Toch is het een huwelijk van korte duur. De horizon trekt: “Nederland vond ik bedompt. De paters van de Heilige Harten in Den Bosch regelden dat ik met een jongerenprogramma voor honderd gulden naar Australië kon. Twee maanden later zat ik op de boot.”

Maar ver van kaas en Carnaval groeit de twijfel. “Ik miste vooral m’n familie. In 1964 ben ik teruggekomen. Verliefd, verloofd, getrouwd. Er moest ook brood op de plank. Gelukkig kon ik zo weer aan de slag bij De Gruyter.” Mooie tijd, mijmert Van Zoggel. Elke fabriek had z’n eigen Technische Dienst van een man of 20 à 25. Niet overbodig, want De Gruyter verzorgde zelf alle reparaties, onderhoud en meet- en regeltechniek.

“Aanvankelijk werkte ik in koffie-, cacao- en rijstfabriek I in de binnenstad. Later hier, in fabriek II aan de Veemarktkade, waar we vooral soep, vermicelli, koekjes en chocola maakten. Een levendige boel: in de topjaren werkten 1600 man in ploegendienst. Zeg maar rustig een dorp op zich. Met eigen bouwkundigen, dokters, zusters, ziektewetcontroleurs en een brandweer.”
De Gruyter   Impressie van een winkelruimte van De Gruyter

Vrouwen

Voor extra levendigheid zorgden de honderden vrouwen die bij De Gruyter werkten. “Vooral op ‘de chocola’ stikte het van de meiden. Met bussen vol kwamen ze uit Veghel, Middelrode en Berlicum. Hun werk? Inpakken. Verder had elk trappenhuis zijn eigen schoonmaakster. Met de vrouwen van De Gruyter hadden we veel lol. Er waren dagen dat je niet aan werken toekwam. Zo ontstonden ook veel huwelijken, wat De Gruyter uitstekend vond. Toen ik zelf trouwde, kreeg ik zes zilveren lepeltjes. En een mand met levensmiddelen.”

Zijn trots heeft een lange houdbaarheidsdatum. Ruim twintig jaar na het bankroet van De Gruyter: “Ze hadden het trouwste personeel van de stad. Ontiegelijk veel mensen waren 25, 40 of 50 jaar in dienst. Zo werkte op de grutterij in fabriek I een oud mannetje dat na zijn pensionering smeekte of-ie halve dagen mocht terugkomen.”

Hard werken? Ja. Weken van zestig tot tachtig uur waren geen uitzondering. “Maar De Gruyter was ook goed voor ons. Als je op de chocoladeafdeling werkte en door al die suiker een kunstgebit nodig had, betaalden zij het. Ook het loon was voor die tijd niet slecht. In 1970 kreeg ik 180 gulden in de week. Dankzij de vele overuren – ook op zaterdag – was dat meer dan het dubbele van een gewone fabrieksarbeider. Piet d’n Dief, zo noemden ze De Gruyter. Niet terecht.”

Drank

Een sociaal bedrijf, benadrukt Van Zoggel. Maar ook een katholiek bolwerk. Tot 1965 gingen op Goede Vrijdag om drie uur, als Jezus aan het kruis hing, alle machines uit. De afdelingsleidsters gingen dan voor in gebed. Of er nooit gevloekt werd? Schei toch uit. Tuurlijk wel. We waren niet heilig.”

Vooral op de Expeditie in Hal 6, waar het bier tot aan het plafond stond, werd er wel eens een flesje opengemaakt. “Ooit maakten ze zelfs een nis in het binnenste van een stapel pallets. Daar zaten ze buiten het zicht te kaarten met het bier op tafel. Verder zat in één van de kruipruimtes ooit een mandfles met 50 liter wijn verstopt. Nadat ze de deur hadden afgesloten, gingen ze zitten jeppen.”
Wim van Zoggel, voormalig medewerker Technische Dienst De Gruyter

Tweede Wereldoorlog

De drie Bossche fabrieken van De Gruyter kwamen vrijwel ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog. Wel stond er luchtafweergeschut op de daken van fabriek I en II.

“Het hoogste punt was de fabriekstoren van De Gruyter in de binnenstad. Vanaf die post hadden de Duitsers rechtstreeks verbinding met Berlijn. Verder staat op het dak van Hal 2 nog altijd een bakstenen gebouwtje met plaatstalen deuren. Daar zat ’s nachts de brandwacht van De Gruyter in. Ze waren als de dood dat de boel in de fik zou vliegen.”

Al vóór de oorlog had De Gruyter een Duitse bedrijfsleider in dienst. In de bezettingsjaren regelde hij dat regelmatig koffie werd gebrand voor zijn militaire landgenoten. “Koffie was vreselijk schaars. Daarom werd er een list verzonnen. Met behulp van een verborgen systeem werd tussen de tweede en derde brandingsronde telkens zo’n drie kilo koffiebonen afgetapt. Die werden buiten de fabriekspoorten gesmokkeld. Eén kilo leverde op de zwarte markt 250 gulden op.”

Enveloppensoep

Wat hem ook helder voor de geest staat, is de bedrijvigheid in de fabriek. In de topjaren wachtten vrachtwagens in lange rijen op de kade om hun fruit en groenten te lossen.

“De ene maand maakten we 55.000 potten aardbeienjam per dag, in de tomatentijd karrenvrachten tomatenpuree. Maar de soep was van alle tijden. Je had bliksoep en soep in pakjes – enveloppensoep noemden we dat. De Gruyter maakte ook bouillon in een eikenhouten ton. De ingrediënten? Gedroogd vlees uit Argentinië, aroma en duizenden liters zoutzuur. Dat vrat de leidingen aan, waardoor er lood in de bouillon kwam. Maar niemand proefde het.”
Directiekantoor De Gruyter Fabriek (1956)   Kantoorruimte De Gruyter Fabriek (1956)

Marokkanen

De trots van De Gruyter Fabriek waren de koekjes- en chocoladeafdeling. Op het hoogtepunt bedroeg de productie drie miljoen koekjes en 300.000 repen per dag. “Die chocola kwam bij een constante temperatuur van 29,5 graden Celsius uit een spuitmachine. Een hels kabaal, want al die repen lagen op de band te trillen om de lucht eruit te kloppen. Wel mooi spul, die spuitmachine: een Jensen uit Denemarken.

Modern en vlijmscherp. Een Italiaan is er ooit z’n hand in kwijtgeraakt.” In de jaren zestig ging het De Gruyter zo voor de wind dat ook arbeiders van buiten de regio werden gerekruteerd. “Er werkten veel Belgen bij ons. Later zijn met twee bussen ook Marokkanen op Schiphol afgehaald. Dat werd een fiasco. Die mensen wisten bij god niet waar ze terechtkwamen. Van De Gruyter kregen ze allemaal ondergoed en een trui. Ze hadden niks.”

Neergang

Eind jaren zestig kwam er de klad in. “In 1967 maakte De Gruyter voor het laatst winst: 21 miljoen gulden. Twee jaar later werd de hele boel aan SHV verkocht. Cash. Voor 18 miljoen gulden. Na drie reorganisaties was het in 1983 over en uit.”

De oorzaak van de neergang? Van Zoggel zwijgt. Dan: “De Gruyter wilde alles zelf maken. Van pepermunt tot gebrande pinda’s. Niet slim, want inkopen was vaak goedkoper. Zo rezen de kosten de pan uit.” Doodzonde, zegt-ie. “De ontslagen hakten er flink in. Eéntje kreeg er zelfs een hartaanval. Een familie waren we. En die hield op te bestaan.”
Voormalige kantine van De Gruyter Fabriek   De Gruyter personeel bij poort

Pot verf

Na sluiting van het complex in 1983 verkocht SHV het aan de BIM. Van Zoggel werd de eerste werknemer van deze vastgoed- en beheermaatschappij. “Ik heb een compleet nieuw sleutelsysteem opgezet. Alles stond leeg, maar mondjesmaat kwamen er huurders. De ruimten? Met een kwast zette ik een streep op de vloer: tot daar is van jou."

"Rond 1986 heeft de BIM er vier miljoen in gestoken om het enigszins op te knappen. Toen groeide het aantal huurders. Zoals? Een Turks naaiatelier, een fabrikant van kajaks en een organisatie die computerlessen gaf.”

Vier seizoenen

Op pad met Van Zoggel, die zelfs geblinddoekt de weg zou vinden in het 55.000 m² grote complex. Links en rechts wijzend: “Hier zat het proeflokaal, daar de opslag van de theezakjes.” Eén van de pronkstukken is de oude goederenlift, waarvan de machinekamer op het dak van Hal 3 staat.

Enkele trappen lager loopt Van Zoggel een gang in. “Hier aan het eind zat Bartje, de bedrijfsleider. Sollicitanten zag-ie van verre aankomen. Als ze te traag liepen, konden ze het al op voorhand schudden. Nee, geen plezierige man. Als je nu een Bosch bejaardenhuis binnenloopt en roept ‘Bartje komt eraan!’ dan schieten een paar negentigjarigen nog van schrik omhoog.”

Twee gangen verder: “Hier zat de meisjeskantine. Strikt gescheiden van de mannen, zoals dat in katholieke kringen hoorde. Er waren ook muurschilderingen van de vier seizoenen.” We staren naar een witte wand. Welk seizoen er achter schuilgaat? Van Zoggel twijfelt. Maar zijn herinneringen aan De Gruyter blijven voor altijd zonnig.
Tekst: Eric Alink