Peke Hofman
Pleidooi tegen de eilandjes
In Utrecht ontdekte Peke Hofman dat voormalige industriële complexen zich uitstekend lenen voor huisvesting van kleinschalige bedrijfjes, ateliers en studio’s. Wel maakt hij een forse kanttekening: het moet geen archipel van commerciële eilandjes worden. “Kruisbestuiving is altijd interessanter.” Gesprek met de kritische directeur van het Centrum voor Beeldende Kunst ’s-Hertogenbosch.
“Veel creatieven zitten nu in oude panden met een eigen bewakingsdienst en een ondergrondse parkeergarage. Daar is niks mis mee, maar hou dan je mond, doe je werk en roep niet dat je een laboratoriumfunctie vervult.”
Peke Hofman is directeur Centrum voor Beeldende Kunst ’s-Hertogenbosch.
Peke Hofman is directeur Centrum voor Beeldende Kunst ’s-Hertogenbosch.
Ach, de Tweka in Geldrop. Badmode maakten ze, in een tijd dat het woord zeespiegelstijging nog ontdekt moest worden. En de DAF! Ooit trotse fabrikant van de Daffodil en andere koekblikken op wielen. Tijdens zijn jeugdjaren in Zuidoost-Brabant zag Peke Hofman de maakindustrie naar de ratsmodee gaan. Een terugblik met vochtige ogen? Ben je gek.
“Ik vind het onzin om alle industriële erfgoed heilig te verklaren. Er is al genoeg monumenten-Talibaan zoals Aart Wijnen van het City Change Center het noemt.” Tegelijkertijd betreurt hij de onverschilligheid waarmee veel bedrijfspanden in de jaren zeventig en tachtig tegen de vlakte gingen of in verval raakten. “Ronduit lomp. Een deel ervan had herontwikkeld kunnen worden.”
“Ik vind het onzin om alle industriële erfgoed heilig te verklaren. Er is al genoeg monumenten-Talibaan zoals Aart Wijnen van het City Change Center het noemt.” Tegelijkertijd betreurt hij de onverschilligheid waarmee veel bedrijfspanden in de jaren zeventig en tachtig tegen de vlakte gingen of in verval raakten. “Ronduit lomp. Een deel ervan had herontwikkeld kunnen worden.”
Kraakbeweging
Maar begin jaren negentig kwam de omslag, ondervond Peke. Zo kregen onder meer de NSDM-werf aan het Amsterdamse IJ, drukkerij Lumax in Utrecht, dekenfabriek Scheltema in Leiden en de Caballerofabriek in Den Haag een tweede leven. Als extra bewijslast pakt Peke een pas verschenen uitgave van het Nederland Architectuurinstuut uit de kast. Titel: ‘Nieuwe ideeën voor oude gebouwen – Creatieve economie en stedelijke herontwikkeling’.
Het is een vuistdik boek, mede dankzij de kraakbeweging in Nederland die in de jaren tachtig voor het behoud van gekraakte bedrijfspanden vocht – ook in ’s-Hertogenbosch. Zo vonden kunstenaars onderdak in galvaniseerbedrijf Rouppe van der Voort aan de Zuidwillemsvaart (eind jaren tachtig alsnog gesloopt) en De Melkfabriek aan de Guldenvliessstraat (nu woon-/ werkcomplex en thuishaven van Artots).
Peke: “In die tijd zat ik in Utrecht. Vanuit de kraakbeweging ontstonden in lege bedrijfspanden podium- en beeldende kunstmanifestaties, ateliers en kleine bedrijfjes. Simpel: de panden zelf waren niet makkelijk bewoonbaar te maken.”
Het is een vuistdik boek, mede dankzij de kraakbeweging in Nederland die in de jaren tachtig voor het behoud van gekraakte bedrijfspanden vocht – ook in ’s-Hertogenbosch. Zo vonden kunstenaars onderdak in galvaniseerbedrijf Rouppe van der Voort aan de Zuidwillemsvaart (eind jaren tachtig alsnog gesloopt) en De Melkfabriek aan de Guldenvliessstraat (nu woon-/ werkcomplex en thuishaven van Artots).
Peke: “In die tijd zat ik in Utrecht. Vanuit de kraakbeweging ontstonden in lege bedrijfspanden podium- en beeldende kunstmanifestaties, ateliers en kleine bedrijfjes. Simpel: de panden zelf waren niet makkelijk bewoonbaar te maken.”
Koninkrijkjes
But times are changing. De tegenbeweging van vroeger is voor een flink deel geïnstitutionaliseerd, concludeert Peke. “Veel creatieven zitten nu in oude panden met een eigen bewakingsdienst en een ondergrondse parkeergarage. Daar is niks mis mee, maar hou dan je mond, doe je werk en roep niet dat je een laboratoriumfunctie vervult.” Zijn definitie van een bedrijfsverzamelgebouw voor creatieven? Een pand waarvan een gedeelte tegen zeer lage prijzen beschikbaar is en dat vooral flexibiliteit kent.
“Je moet het niet letterlijk en figuurlijk dichttimmeren. Zo zou je met behulp van schuifsystemen of demontabele wanden moeten kunnen inspelen op veranderingen. Verder zouden gebruikers de intentie moeten uitspreken dat ze willen samenwerken. In contact blijven met andere disciplines – van architecten tot fotografen en vormgevers – is onmisbaar in de creatieve industrie. Ik geloof sterk in kunstenclusters, mits het geen verzameling van koninkrijkjes wordt. Dat wil ik juist doorbreken.”
“Je moet het niet letterlijk en figuurlijk dichttimmeren. Zo zou je met behulp van schuifsystemen of demontabele wanden moeten kunnen inspelen op veranderingen. Verder zouden gebruikers de intentie moeten uitspreken dat ze willen samenwerken. In contact blijven met andere disciplines – van architecten tot fotografen en vormgevers – is onmisbaar in de creatieve industrie. Ik geloof sterk in kunstenclusters, mits het geen verzameling van koninkrijkjes wordt. Dat wil ik juist doorbreken.”
Zeuren
Zo’n open houding vergt óók zelfreflectie van makers, vindt hij. “Kortom: durf kritisch naar jezelf te kijken. Dat gebeurt niet altijd in het kunstenveld. Verder is samenwerking nodig om je blik te scherpen. Deze stad is te klein voor vijftien clubs die elk hun eigen doelgroepje hebben en voor twaalf mensen die een lezing houden. Zorg voor kruisbestuiving, denk ik dan.
Dat is interessanter dan zeuren over geld, want dat gebeurt veel in deze stad.” Tegelijkertijd heeft dat zeuren volgens Peke één goede kant. “Het betekent dat de afstand tot de macht klein is. In Utrecht zeuren kunstenaars aanzienlijk minder, want daar heeft het volstrekt geen zin: de verantwoordelijken krijg je toch nooit te spreken. Hier loop je makkelijker binnen bij een wethouder of een beleidsambtenaar. Dat is winst.”
Dat is interessanter dan zeuren over geld, want dat gebeurt veel in deze stad.” Tegelijkertijd heeft dat zeuren volgens Peke één goede kant. “Het betekent dat de afstand tot de macht klein is. In Utrecht zeuren kunstenaars aanzienlijk minder, want daar heeft het volstrekt geen zin: de verantwoordelijken krijg je toch nooit te spreken. Hier loop je makkelijker binnen bij een wethouder of een beleidsambtenaar. Dat is winst.”
Tekst: Eric Alink

